H.C. ten Berge
I
Een veeg azuur in witte velden;
Dooraderd ijs, doorschenen glas
Rivierlandschap met fles
Haar open mond een blauwe leegte
Door ruimte afgetast
Haar ziel rust in de grond,
Ze reikhalst naar de sterren.
II
De lege fles vergaapt zich aan de ruimte,
De lage kim doorsnijdt haar hals
De geest vervloog,
De wind trekt aan
Het blauwbekt op de waarden
Koude stolt het wondvocht
In het roodontstoken zonneoog.
III
Hier het zwarte water,
Daar het donkere ijs
Het wak, de bijt, de laatste vogelhaard
Een blauwe stip in witte velden
Eenkrimpend hart onder het hemelgrijs
Sterft een moerhaas op de vlakte,
Schiet een marter door de appelgaard.
IV
Zilvernevel boven een stoppelveld;
IJle berken, de omijsde, in verdronken land
Verzonken achter dijken
Zuchten de gebroken daken onder lage lucht
Het bruine riet, de gorzen tsikkend aan de staken
Een buizerd kropt de dode haas;
Een buks knalt op de oeverweiden.
V
Wig van grauwe ganzen op de vlucht;
Een wilde eend is neergehaald bij de rivier
Stilaan sneeuwt de vlakte dicht
De fles, haar blauwe hals is blootgesteld.
Licht en wind omzwachtelen haar
Gerucht verstomt; de open mond vangt een kristal
Dat op de bodem van de ziel neerdaalt.
Uit: Materra Prima
J.M. Meulenhoff bv Amsterdam 1993
H.C. ten Berge (Alkmaar 1938) is 'de laatste der modernisten' in de Nederlandse literatuur.
Kenmerken van zijn werk zijn de verbinding tussen natuur en cultuur, het streven naar zuiverheid en integriteit alsmede een diepgewortelde passie. In zijn laatste bundel 'Oesters & gestoofde pot' is de humor echter ook nadrukkelijk aanwezig. Behalve poëzie heeft H.C. ten Berge romans, novellen en tal van essays geschreven en vele poëzievertalingen gemaakt. In 1987 kreeg hij de Multatuliprijs en in 1996 werd hem de Constantijn Huygensprijs toegekend.
